DE REIS VAN DESCENDENTEN


Ian Levi


‘Opa had veel offers gemaakt’ dacht Flip, om een excuus te verzinnen om Anton te helpen.

Dit was ook weer zo’n missie. In een vreemd land, met keiharde gangsters, je geld ophalen wat ze niet wilden betalen. ‘Hoe verzin je het?’ En ouwe Anton was geen kameleon meer. Die begon letterlijk aan alles schijt te krijgen. Mooi om te zien, die grijze haren en een getaande, gebruinde kop met een zonnebril. Nog steeds slank en altijd jongens kleding aan, gympies, hoodie, een jack er overheen en een spijkerbroek met scheuren. En niet te vergeten, die eeuwige peuk in zijn waffel. Flip moest weer lachen. Hij begon er zin in te krijgen. Morgen weer die gortdroge bek als ze onderweg waren. Die gortdroge bek van spanning met een staal smaak. Hij zag zijn gabber staan aan de vloedlijn. De ondergaande zon was mooi. De lange schaduw van Anton op het witte zand, richting het oosten. Flip meende een walvis te horen. Dat hoge gepiep. En inderdaad zag hij ruggen uit het water komen, water spuitend en weer ondergaan. Anton stond daar met zijn grote houten stok, roerloos aan de vloedlijn, als in een trance, als een magiër uit een speelfilm.